Tante Riet is me er eentje


Tante Riet woont in een boerderij. Zo’n oud Fries model. Heel vroeger, toen we nog klein waren, gingen we door de deel naar binnen. Langs de stal waar de koeien ons vrolijk begroetten met geloei. Vervolgens gingen we, langs de melkbussen in de melkkamer, naar het woongedeelte voor de mensen. Daar zat tante Riet. Het rook er naar oude tapijten, verse koffie en een zoet weeïg lucht. Dat kwam door de Vapona strips die aan het plafond hingen. Er zaten zoveel vliegen aan dat er geen plak meer over was. Er vloog altijd nog een aantal vliegen rond waar geen plek voor was.
Tegenwoordig gaan we via de voordeur op visite bij tante Riet. De koeien zijn al lang geleden verkocht toen oom Jan ons verliet naar de eeuwige landerijen in de lucht, zoals tante Riet dat zegt.
Neef woont nog op de boerderij. Neef Jan jr. is bijzonder. Hij bleef op de boerderij maar nam de zaken niet over. Volgens tante is hij vooral bijzonder in het feit dat hij liever bij zijn moeder woont dan zelf een vrouw zoekt.
Tante doet nog zelf haar boodschappen. Ze maakt netjes een lijstje en tuft dan met haar oude citroen Diane naar het dorp. Laatst toen ik bij haar logeerde vroeg ze of ik nog wat nodig had. Ik voelde mij een beetje ongemakkelijk maar moest het toch vragen.
‘Ja, uh, ik heb tampons nodig, heeft u die?’ Tante lacht er smakelijk om.
‘Nee, lieverd, die heb ik al jaren niet nodig. Maar ik ga zo naar de winkel, ik haal wel een doosje voor je.’
Als ze thuis komt drinken we een kopje thee. Met net gekochte koekjes, want tante is ook bij de bakker langs geweest. Neef Jan jr. komt ook thee drinken en ziet het doosje tampons staan dat tante op de buffetkast heeft gezet.
‘Wat is dat, moeder?’ vraagt Jan, ‘dat doosje ken ik niet’. Tante kijkt snel naar mij, dan weer naar Jan en zegt,
‘Oh, dat zijn van die vliegenstrips. Ander doosje, maar je weet het wel.’